Kaas met gaatjes (1970)

Verhaal uit Kaas met gaatjes (1970)

Toen ik ook ’s morgens, onmiddellijk na het opstaan en nog vóór het ontbijt, begon te drinken, sloeg de onrust om in angst. Weerloos voelde ik mij overgeleverd aan een organische kwaal, een behoefte die, onafhankelijk van mijn wil, in mijn lichaam woekerde. Mijn gezond verstand zei me dat ik mij tegen de kwaal moest verzetten. Mijn lichaam weigerde naar rede te luisteren. Het drinken werd een soort animale drift.

Wanneer ik slaapdronken het bed uitstapte, kwam een mechanisme op gang, dat zich als vanzelf ontwikkelde tot een ritueel. In pyjama daalde ik de trap af en dronk in de keuken achter elkaar twee, drie glazen wijn op de nuchtere maag. Zachtjes hijgend en met een loom, aangenaam gevoel in mijn ingewanden stond ik dan voor het raam en keek over de pot geraniums naar de wazige contouren van de olietanks langs de havenkant. Terwijl ik boven mijn hoofd Emma zachtjes hoorde stommelen in de slaapkamer, voelde ik mij doorgaans rustiger worden.

Het gebeurde dat mijn maag zich in een kramp verzette tegen het zuur van de goedkope, schrale wijn. Kokhalzend strompelde ik dan naar het toilet en braakte het donkerrode vocht als een gulp vuil bloed op het glanzendwitte email van de wc-pot. Dat Emma dit braken tot in de slaapkamer kon horen, vervulde mij telkens met een woedend en machteloos gevoel van schaamte. Soms wreef ik met de rug van mijn hand het vocht uit mijn tranende ogen om de slijmen, als larven in het braaksel, duidelijker te kunnen onderscheiden alvorens de vuiligheid grondig weg te spoelen. Die slijmen leken mij de virussen van de kwaal, al was dat natuurlijk een belachelijke associatie.

Terug in de keuken dronk ik meestal nóg een groot glas wijn. Om samen met de larven ook de bittere nasmaak van het braaksel weg te spoelen, zo maakte ik mezelf wijs. Pas wanneer ik Emma de krakende treden hoorde afkomen, zette ik de fles weer in de donkere gleuf naast het gasfornuis. Er stonden daar altijd enkele flessen gereed.

Elke keer was ik Emma dankbaar dat zij deed alsof zij van niets wist. In haar roze, gewatteerde peignoir bewoog zij zich tam als een huisdier bijna geruisloos van de keuken naar de woonkamer en van de woonkamer naar de keuken, zonder mij aan te kijken. Zwijgend zette zij koffie en dekte de ontbijttafel terwijl ik achter haar rug nog even stond te dralen om niet de indruk te wekken dat haar aanwezigheid mij op de vlucht dreef. Zwijgend ging ik dan weer naar boven om mij te wassen, te scheren en mijn kleren aan te trekken. Mijn tanden poetste ik zelden omdat het chlorofyl van de tandpasta een afschuwelijk mengsel vormde met de oprispingen van de wijn. Ik wilde niet het risico lopen tweemaal achtereen te moeten braken. Overigens leek het poetsen van tanden mij onbelangrijk. Alles leek mij onbelangrijk behalve de flessen naast het gasfornuis.

Met mijn gezicht vlak bij de spiegel van de badkamer keek ik vaak aandachtig naar de blauwe kussentjes onder mijn ogen en dacht daarbij aan dat wrange gedicht van Marnix Gijsen. Ook ik droomde er soms van om aan de Schelde of ergens anders op een verlaten plek te liggen en te staren naar de blonde vaart van de wolken. Om mijn uiterlijk maakte ik mij nochtans weinig zorgen, en om mijn gezondheid nog minder. Ik voelde geen lichamelijk ongemak, al werd ik mager door gebrek aan eetlust en al kreeg mijn huid de tanige kleur van iemand die aan een leverziekte lijdt. Voor de spiegel keek ik tussen roerloze wimpers in mijn troebele ogen, tastte met mijn tong het weke vlees van mijn gehemelte af, en zei soms hardop dat mijn gezondheid en mijn tronie van hoegenaamd geen belang waren. Maar ik voelde mij oud worden en ik was bang.

Bang voor de organische, voortwoekerende kwaal die ik niet kon bedwingen; de gulzige, onverzadigbare lintworm in mijn ingewanden; de duistere bedreiging van een verval waarvoor ik geen verklaring en zelfs geen passende naam kon vinden. Bang ook voor de zwijgzame, doffe berusting van Emma die met een koele blik het verval gadesloeg en haar wanhoop verborg achter een masker van langzaam gegroeide onverschilligheid.

Aanvankelijk had zij bezorgd en bevreesd, huilend en dan weer scheldend weerstand geboden aan mijn aftakeling, die ook haar aftakeling was. Met tedere overreding was zij de strijd begonnen tegen een gevaar, waarvoor zij in haar verwarring evenmin een naam of een verklaring wist. Toen dat niet hielp, had zij gesmeekt dat ik een dokter zou raadplegen en vervolgens gedreigd dat zij mij zou verlaten. Het hielp allemaal niets. Ik knikte, gaf haar gelijk, ontkurkte een fles en dronk ostentatief de wijn, in de sombere en tegelijk geruststellende zekerheid dat zij mij nooit zou verlaten.

Toen zij zich eens het woord ‘antabus’ liet ontvallen, het middel tegen alcoholisme, kreeg ik een hevige aanval van woede, waarvoor ik mij achteraf weer schaamde, omdat ik besefte dat ook die reactie een bewijs van zwakheid was. ‘Ik ben geen alcoholist,’ schreeuwde ik. ‘Ik drink niet voor mijn genoegen. Ik drink omdat ik niet anders kan. Zoals men ademhaalt en naar het toilet gaat. Als ik plotseling zou ophouden met drinken zou ik waarschijnlijk gek worden en zelfmoord plegen of een ongeluk begaan. Ik weet dat zoiets absurd klinkt, maar jij kunt dat niet begrijpen. Niemand kan het begrijpen. Ik begrijp het zelf niet. Het is geen ziekte, zoals dokters zullen beweren. Het is een strijd, die ik alleen moet uitvechten, zonder behulp van psychiatrische foefjes, sociale werkers of farmaceutische lapmiddeltjes.

Ik wil mij in die strijd door niets of niemand laten dwingen.’ Het was de typische argumentatie van een alcoholist. Misschien wist Emma dat ook. ‘Zeg mij dan tenminste waarom,’ vroeg zij kalm. ‘Als er een reden is, heb ik het recht die reden te kennen.’ Even heb ik toen in beraad gestaan of ik haar over Theo zou spreken, maar het had geen zin haar dat vreemde gevoel van opstand en eenzaamheid te verklaren. ‘Ik weet het niet,’ zei ik moedeloos. ‘Er gebeurt zoveel zonder reden.’ Zij wendde zich af om haar tranen te verbergen en ik kuste haar vluchtig in de hals.

Na die uitval, waarmee ik haar ongetwijfeld in de kern van haar vertrouwen kwetste zonder het te willen, schenen de laatste resten van Emma’s weerstand opgelost te zijn in een rimpelloze vijver van gelatenheid. Zij aanvaardde de kwaal zoals men een kankergezwel aanvaardt. In plaats van haar toevlucht te zoeken in nutteloze verwijten of smeekbeden, begon zij als het ware systematisch het gif te overdoseren met gif, wellicht in de roekeloze hoop dat ik uiteindelijk tot bezinning zou komen als de walg mij uit de mond liep.

Elke middag, alvorens haar inkopen te doen, telde zij nauwkeurig en demonstratief het geld op het tafelblad, laadde de lege flessen in haar boodschappentas, en bracht uit eigen beweging volle flessen mee, samen met het brood, de groenten, het vlees. Met het huishoudgeld dat zij aan de drank spendeerde, had zij nieuwe jurken, nieuwe schoenen en andere dingen die zij hoognodig had, kunnen kopen. Zij droeg haar oude jurken en haar afgedragen schoenen en wachtte soms acht weken om naar de kapper te gaan. Op de buffetkast lagen, als een dreigende waarschuwing, een half dozijn onbetaalde rekeningen. De telefoon was al twee maanden afgesloten. De maaltijden werden hoe langer hoe soberder. Maar dagelijks bracht zij de wijn mee zonder dat ik er om moest vragen. Ook zij werd een onderdeel van het mechanisme, een onbezielde officiant in het monotone ritueel. Zeulend met de zware boodschappentas en verkleumd onder haar dunne winterjas, zag ik haar terugkeren van het warenhuis. Op zulke ogenblikken had ik haar uitzinnig lief. Soms voelde ik aandrang om haar huilend te omhelzen maar ik durfde geen uiting te geven aan mijn verwarde ontroering. Ook zij werd mager en haar huid werd nog transparanter dan de mijne. Met haar kleren aan woog zij negenenveertig kilogram. Zes kilogram onder haar normaal gewicht. Het cartonnetje van de weegautomaat lag tussen de onbetaalde rekeningen op de buffetkast.

Soms meende ik in haar berusting een onuitgesproken maar bestendig verwijt te onderkennen. Alhoewel zij wist dat ik ‘s morgens geen brok voedsel door mijn keel kon krijgen, legde Emma telkens met onverstoorbare volharding twee sneetjes geroosterd brood op mijn bord. In het begin dacht ik dat het een provocatie was, die steeds uitdagender werd door de nutteloze herhaling. Na verloop van tijd begon ik mij af te vragen of die onveranderlijk weerkerende sneetjes geroosterd brood niet veeleer een zinnebeeld waren van haar onverwoestbare hoop. Zij weigerde echter zich bloot te geven in haar hoop, waarschijnlijk omdat zij niet gekrenkt wilde worden in haar laatste overschot aan trots; haar laatste vesting. Onbewogen en aandachtig keek zij toe hoe ik langzaam enkele koppen zwarte koffie dronk onder het roken van een sigaret en zonder het brood aan te raken. Vervolgens ruimde zij de tafel af, zonder commentaar. Voor zij naar haar werk ging kuste ik haar op de mond. Ook dat gebaar behoorde sinds de eerste dag van ons huwelijk tot het ritueel. Ik proefde het korrelige, lichtjes geparfumeerde lippenrood, maar niet het vlees van haar gesloten lippen.

2015-11-15