Galgenaas (1966)

Verhaal uit Galgenaas (1966)

Het was een raadsel hoe hij op het dak was geraakt maar hij stond er wel degelijk, hoog en ongenaakbaar, zwarte Freddy. Hij was niet zwarter dan de anderen maar men noemde hem zwarte Freddy omdat er nog een blonde Freddy op de vierde sectie zat.

Masereels was de eerste die hem opmerkte toen hij toevallig naar een vlucht duiven keek. Hij bleef even besluiteloos staan en rende dan, dwars over het bloemenperk, naar binnen om alarm te slaan. Vijf minuten later stonden de directeur, de adjudant en zes bewakers op de binnenkoer met de neus in de lucht.

Niemand had er een juist idee van hoe lang Freddy reeds op dat dak stond. Hij werkte in de stokerij van de gevangenis en daarom liep hij nogal losjes door de gangen, zonder al te strenge bewaking.
De directeur zag een beetje bleek want Freddy zat voor moord. Hij wilde vragen hoe de aanwezigheid van die man op het dak te verklaren was, maar hij besefte dat zich op dat ogenblik een veel belangrijker en dringender vraag stelde: hoe halen wij die man weer naar beneden?
Freddy stond in de dakgoot langs de zijkant van de rechtervleugel tegenover het kledingmagazijn. Als hij boven op dat magazijn geraakte, had hij een redelijke kans om een uitweg te vinden in het labyrint van aanpalende daken.

Tussen de rechtervleugel en het kledingmagazijn gaapte echter een kloof van ruim anderhalve meter breed en tien meter diep.
Lichtjes achterover geleund tegen de warme dakpannen, stond Freddy zijn sprong naar de vrijheid te berekenen. Hij trachtte voor de derde maal zijn samengebalde zenuwen tot het uiterste te concentreren maar, hoe hij zich ook inspande, het contact sloeg niet over naar zijn verlamde benen. Het was alsof er elektriciteit zat in zijn hoofd en zaagmeel in zijn knieën.

Het is gek, dacht Freddy, op de grond is het een belachelijke afstand en op een hoogte van tien meter schijnt die afstand tien maal zo groot. Op de grond lijkt alles zo eenvoudig. Hij had de scheiding nauwkeurig afgemeten: een meter zeventig. Hij had zich dagenlang geoefend in zijn cel en zijn sprongen met krijtstreepjes uitgetekend. Hij haalde gemakkelijk een gemiddelde van een meter negentig zonder aanloop. Getrainde atleten in het verspringen halen meer dan zeven meter met aanloop, maar zij lopen natuurlijk niet het minste risico in het mulle zand.

Freddy sloot de ogen en klemde zijn kaken op elkaar. De wind waaide speels door zijn haren en klapperde aan de broekspijpen van zijn overall. Als ik die valkuil kan wegdenken, spring ik er spelenderwijze over, dacht hij. Hij opende de ogen en werd verblind door het zonlicht dat plotseling vanachter een wolk duikelde en weerkaatst werd door een vensterraam aan de overkant. Hij had het koud en toch waren zijn handen en voorhoofd klam van het zweet.

Adjudant Cools zette de handen als twee schelpen rond zijn mond en riep zo luid hij kon: ‘Het is waanzin, Freddy. Je geraakt er nooit over!’ Freddy keek naar het donkere groepje van acht mannen op het groene gazon. Zij stoorden hem in zijn concentratie en hij kreeg de wilde aandrang om een dakpan naar hun hoofden te keilen, maar dat zou hem geen stap verder brengen.
De stem van adjudant Cools steeg opnieuw ijl in de zonnelucht, als de kreet van een kind: ‘Zet het uit je hoofd, Freddy. Het is zelfmoord!’

Het was een vals argument. Adjudant Cools moest weten dat een man gemakkelijk twee meter ver springt wanneer hij de verdomde moed kan opbrengen zich soepel en zelfzeker af te duwen. Het was uitsluitend een kwestie van durf.
Als iemand in de gevangenis kruim in zijn knoken had, dan was het zwarte Freddy, en toch stond hij te trillen op zijn benen. Eigenlijk was het niet alleen een kwestie van durf. Er zat ook een dosis onberekenbaar toeval in die sprong. Hij zou zich bij het neerkomen in de smalle dakgoot aan de overzijde onmiddellijk moeten vastgrijpen aan de dakpannen en niemand kon zeggen of die pannen vast of los zaten. Niemand kon zelfs waarborgen of de dakgoot solied genoeg was om het gewicht van zijn lichaam op te  vangen.

Freddy sloot opnieuw de ogen. De dunne draden van de televisieantennes bleven op een paars veld over zijn netvlies gespannen.
Ik moet mij eerst helemaal ontspannen, dacht hij, en dan in een fractie van een seconde een besluit nemen zonder na te denken.
Hij wreef het zweet met de rug van zijn linkerhand van zijn voorhoofd en zocht opnieuw steun. Een dakpan gleed schurend naar beneden, kantelde over de rand van de goot en sloeg kletterend aan scherven op de bodem van de valkuil. Bijna op hetzelfde ogenblik loeide een stoomboot langs de havenkant.

Er kwam beweging in het groepje mannen op het gazon. Masereels liep weer naar binnen, gevolgd door de andere bewakers, en adjudant Cools riep hun iets onverstaanbaars na. Alleen de directeur stond nog altijd onbeweeglijk omhoog te staren. Zijn das wapperde als een grote, blauwe vlinder om zijn hals.

‘Dit is mijn enige kans,’ zei Freddy hardop, alsof hij iemand aan de overkant van de kloof wilde overtuigen. ‘Dit is mijn mijn enige rotkans,’ herhaalde hij woedend. ‘Nooit in de eerstvolgende tien jaren krijg ik nog een dergelijke kans.’

Zijn woorden waaiden weg op de wind. Het was belachelijk, tien meter hoog in een dakgoot, tegen niemand te staan praten terwijl elke minuut kostbaar was. Waarom waren Masereels en de anderen naar binnen gelopen? Wat had adjudant Cools hun achterna geroepen? Misschien gingen zij versterking halen om de daken aan de overkant af te zetten. Soms deed men in zulke gevallen beroep op brandweer en rijkswacht. Een moord is een moord.

Op dat ogenblik hoorde Freddy een zachte, voorzichtige stem achter zijn rug. Hij zette zich schrap in de dakgoot en keek achterom. Op drie meter afstand stak het hoofd van Stragier door het opengeklapte dakraam. Stragier, de chef van de stokerij, de enige bewaker voor wie Freddy een beetje sympathie opbracht, al liet hij dat zo weinig mogelijk blijken.
‘Ik zou het niet doen, Freddy,’ zei Stragier met zijn bedaarde, hese stem.
‘Verrek!’ riep Freddy terug. Stragier leunde een beetje voorover en stootte zijn hoofd tegen de rand van het dakvenster. Zijn stem bleef even rustig.
‘Je hebt vijftig procent kans om naar beneden te donderen en vijftig procent om aan de overkant te geraken. En aan de overkant kom je nergens terecht, Freddy. Op dit ogenblik worden alle aanpalende straten afgezet. Je loopt hun recht in de armen.

‘Mijn kloten!’ riep Freddy zo hard hij kon. Zijn laatste restje sympathie voor Stragier vloeide weg.
‘Je mag voor mijn part gerust springen,’ zei Stragier langzaam en nadrukkelijk. ‘Het zal een knal geven als je harde kop daar beneden naast die kapotte dakpan uiteenspat. Vooraleer je een besluit neemt, wil ik je echter een voorstel doen en denk eraan, dat is mijn laatste woord in deze idiote situatie. Je kunt uit eigen beweging weer naar beneden komen en dan beloof ik je dat de zaak geen verder gevolg heeft. Geen straf, geen rapport, niets. Je komt morgen weer doodgewoon in de stokerij werken en er wordt niet  meer over deze geschiedenis gesproken. Dat is alles wat ik voor je kan doen en je weet dat ik mijn beloften houd. Maak nu maar voor jezelf uit wat je met die halsbrekerij te winnen en te verliezen hebt.’

‘Mijn kloten!’ wilde Freddy een tweede maal roepen, maar zijn keel was zo droog dat zijn tong als een lap gekookte lever in zijn mond lag.

‘Ik wacht aan de zolderdeur,’ zei Stragier nog en onmiddellijk daarop zag Freddy zijn hoofd uit de opening van het  dakraam  verdwijnen.

Freddy keek over zijn schouder naar beneden. De directeur stond nog altijd onbeweeglijk als een schildwacht op het gazon. Het was alsof hij Freddy vanuit de diepte in een roerloze trance wilde hypnotiseren. Adjudant Cools liep gedurig over en weer en maakte gebaren tegen iemand die vanop het dak niet te onderscheiden was.

‘Godverdomme, godverdomme,’ mompelde Freddy tussen zijn droge lippen. Het was het enige woord dat hij vond om uiting te geven aan zijn haat en onmacht, zijn angst en zijn besluiteloosheid. Hij voelde dat zijn ogen vol tranen schoten en hij moest zich opnieuw schrap zetten om niet duizelig te worden met dat floers tussen zijn wimpers. Toen begon hij, voetje voor voetje, in de gleuf van de warme zinken goot naar het dakraam te schuiven met tastende, behoedzame vingers over de randen van de broze pannen. Het verwonderde hem dat de terugweg zo lastig was terwijl hij zich een half uur voordien met de soepele zelfverzekerdheid van een kat had voortbewogen.

Aan de zolderdeur stond Stragier hem op te wachten. Hij zei geen woord maar gaf Freddy met zijn grote, vlakke hand een klap op de schouder en haalde twee gerolde sigaretten vanachter zijn oren. Gedurende enkele minuten stonden ze zwijgend te roken onder een dwarsbalk.

Beneden in de gang stonden zij allen te wachten, de directeur, adjudant Cools, Masereels en een half dozijn bewakers. Adjudant Cools deed enkele stappen in hun richting en wilde iets zeggen, maar Stragier schudde energiek het hoofd en maakte een wuivend handgebaar. De directeur zag nog steeds zeer wit, maar ook hij hield zich zwijgend aan de overeenkomst. Geen straf, geen rapport, niets. Vooraleer de celdeur te sluiten, zei Stragier nog: ‘Morgen om zeven uur in de stokerij. Zoals gewoonlijk.’
Freddy ging op de rand van het bed zitten en keek naar de vloer, waar de krijtstreepjes nog afgetekend stonden in een bundel zonlicht.

Hij dronk een teug koude cichorei, verschoof de tafel en plaatste zijn voeten nauwgezet op de gebarsten tegel die hij als startpunt had gekozen voor zijn oefeningen. Hij boog lichtjes door de knieën, zwiepte zijn armen achteruit en sprong een flink eind voorbij het vierde streepje. Hij haalde ruim een meter negentig. Tussen het tweede en het derde streepje kroop een groen insect haastig weg, op zoek naar een schuilplaats.

Freddy liet het insect over zijn wijsvinger kruipen en knipte het weg door het celraam in de vrije lucht. Hij dronk een nieuwe teug cichorei en ging languit op het bed liggen, met gesloten ogen.

Het is godverdomme gek hoe helemaal anders de dingen er uitzien op een hoogte van tien meter, dacht hij. En tegelijk kreeg hij een vreemd gevoel van opluchting. Hij voelde zich als iemand die in het voorbijgaan een blik heeft geworpen in de afgrond van de dood en, na een ogenblik van verbijstering, haastig is verder gestapt langs effen paden van gelijkmatigheid.

 

2015-11-15