Enkele weken na De knetterende schedels verscheen het opmerkelijke pamflet Recht op antwoord. Roger Van de Velde had graag gezien dat beide boeken tegelijkertijd op de markt kwamen maar uitgeversperikelen staken daar een stokje voor.

In Recht op antwoord richtte Van de Velde zijn pijlen op de censuur die hem te beurt viel. Eind jaren zestig was censuur in Vlaanderen een veelbesproken onderwerp. Tal van incidenten, zoals het uit de handel nemen van het blootblad Partner of van Jef Geeraerts' Gangreen 1, wekten de indruk dat de vrije meningsuiting onder druk stond. Van de Velde vond dat het vaak om schrijvers ging die doelbewust provoceerden, censuurcommissies tartten en daardoor goedkoop in de belangstelling kwamen. Deze oneigenlijke censuur stond in schril contrast met de echte censuur die Van de Velde zelf trof, hij verbleef in de gevangenis en had een publicatieverbod. Het was hem een doorn in het oog dat zijn zaak door de media werd doodgezwegen.

In het oorspronkelijke typoscript van Recht op antwoord was het verwijt tegen voormelde oneigenlijke censuur trouwens breder uitgesmeerd dan in de versie die uiteindelijk werd gepubliceerd. Een tweede en zo mogelijk belangrijkere klacht in Recht op antwoord, betrof een terechte en meedogenloze kritiek op de abominabele en vaak onrechtvaardige Belgische procedure tot internering (in Nederland: terbeschikkingstelling) waarvan Van de Velde slachtoffer was. De willekeur van psychiaters die de detentieduur bepaalden en het absolute gebrek aan medische of therapeutische behandeling voor de geïnterneerden worden door Van de Velde haarscherp aan de kaak gesteld.

Recht op antwoord is naast een klachtenbundel ook een verweerschrift. Alert en met flegma verweert van de Velde zich tegen manke wetten en dilettante psychiaters. Het is erg en het wijst op onwelvoeglijk bestuur, maar ook bij de laatste editie van Recht op antwoord, meer dan dertig jaar na het verschijnen van de eerste druk, blijft de aanklacht tegen het Belgische interneringssysteem actueel.

De wet van 9 april 1930 'tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers' werd herhaaldelijk gecorrigeerd en oogt thans inhoudelijk meer humaan en modern, maar nooit werden de nodige middelen vrijgemaakt om de wet ook correct uit te voeren.
De meeste geïnterneerden ontvangen nog steeds geen medische of therapeutische behandeling. In psychiatrische centra zijn ze niet welkom en gevangenissen beschikken noch over deskundig personeel, noch over de minimale voorzieningen die een goede begeleiding en reintegratie waarborgen. Daarom verblijven Belgische geïnterneerden doorgaans in de meest aftandse en verouderde vleugels van al te krakkemikkige gevangenissen, waar ze opeengepakt wachten om te verschijnen voor 'de commissie ter bescherming van de maatschappij' die vaak moeilijk anders kan dan hun detentie verlengen, omdat er van therapeutische begeleiding geen sprake is.

Eigenlijk zijn deze 'zieken' afgeschreven en heeft men ze levenslang gegeven. Hoe onwaarschijnlijk het ook moge klinken, Recht op antwoord kan ook in de 21e eeuw een actiemiddel zijn om die hardnekkige wantoestanden aan de kaak te stellen.

© Stefan Brijs, Johan Vandenbroucke en Erik Vlaminck

2015-11-13